- kringloop
- Het schema waarin alle geldstromen tussen gezinnen, bedrijven, overheid, financiële instellingen en buitenland rondgaan.
- lek
- Een stroom die de binnenlandse kringloop verlaat: sparen, belasting, import.
- injectie
- Een stroom die er juist bij komt: investeringen, overheidsbestedingen, export.
- kringloopevenwicht
- Alle lekken samen zijn even groot als alle injecties samen.
- inkomensidentiteit
- Y = C + I + O + E − M. Een identiteit geldt per definitie, altijd — het is geen voorwaarde waaraan voldaan moet worden.
- spaaridentiteit
- S = I + (O − B) + (E − M). Het sparen van gezinnen financiert investeringen, het overheidstekort en het overschot op de lopende rekening.
- overheidssaldo
- B − O. Positief is een overschot, negatief een tekort.
- lopende rekening
- E − M, het saldo van de goederen- en dienstenhandel met het buitenland.
- financiële rekening
- De financiële transacties met het buitenland. Een overschot op de lopende rekening gaat samen met een tekort hier.
- nationaal spaarsaldo
- (S − I) + (B − O). Gelijk aan het saldo op de lopende rekening.