Blok 15 VWO — Economie

Begrippen & formules

Welvaart H2, H3, H4 + Economisch Beleid H2

Niets gevonden. Probeer een ander woord.

🧮

Formules

Y = C + I + O + E − M
De inkomensidentiteit. De effectieve vraag leidt tot productie en productie leidt tot inkomen. Korter: Y = EV.
Y = C + B + S
Wat gezinnen met hun inkomen dóén: uitgeven, belasting betalen of sparen.
S = I + (O − B) + (E − M)
De spaaridentiteit. Volgt uit de twee vergelijkingen hierboven.
(S − I) + (B − O) = (E − M)
De sectorsaldi. Wat gezinnen en overheid binnenslands overhouden, is precies het saldo op de lopende rekening.
Y* = A (K, L)
De productiefunctie. K is kapitaal, L is arbeid en A is de totale factorproductiviteit.
output gap = Y − Y*
Negatief bij laagconjunctuur, positief bij hoogconjunctuur. Vaak uitgedrukt in procenten van Y*.
arbeidsproductiviteit = productie ÷ werkgelegenheid
En omgekeerd: werkgelegenheid = productie ÷ arbeidsproductiviteit.
werkloosheidspercentage = werklozen ÷ beroepsbevolking × 100%
De beroepsbevolking is werkenden plus werklozen.
multiplier = 1 ÷ (1 − deel dat opnieuw wordt besteed)
Hoe groter de lekken naar sparen, belasting en import, hoe kleiner de multiplier.
reële groei via indexcijfers
Nominale index gedeeld door prijsindex, maal 100. Percentages van elkaar aftrekken is fout.

Week 35De economische kringloop

kringloop
Het schema waarin alle geldstromen tussen gezinnen, bedrijven, overheid, financiële instellingen en buitenland rondgaan.
lek
Een stroom die de binnenlandse kringloop verlaat: sparen, belasting, import.
injectie
Een stroom die er juist bij komt: investeringen, overheidsbestedingen, export.
kringloopevenwicht
Alle lekken samen zijn even groot als alle injecties samen.
inkomensidentiteit
Y = C + I + O + E − M. Een identiteit geldt per definitie, altijd — het is geen voorwaarde waaraan voldaan moet worden.
spaaridentiteit
S = I + (O − B) + (E − M). Het sparen van gezinnen financiert investeringen, het overheidstekort en het overschot op de lopende rekening.
overheidssaldo
B − O. Positief is een overschot, negatief een tekort.
lopende rekening
E − M, het saldo van de goederen- en dienstenhandel met het buitenland.
financiële rekening
De financiële transacties met het buitenland. Een overschot op de lopende rekening gaat samen met een tekort hier.
nationaal spaarsaldo
(S − I) + (B − O). Gelijk aan het saldo op de lopende rekening.

Week 36De productiefunctie

potentiële productie (Y*)
Wat een land kán produceren bij normale benutting van arbeid en kapitaal.
feitelijke productie (Y)
Wat er werkelijk geproduceerd wordt.
totale factorproductiviteit (A)
Hoe efficiënt arbeid en kapitaal worden gecombineerd. Denk aan technologie, onderwijs, instituties en infrastructuur.
constante schaalopbrengsten
K en L allebei met hetzelfde percentage omhoog, en Y* stijgt met datzelfde percentage.
afnemende meeropbrengsten
Eén factor groeit en de andere niet: elke extra eenheid levert steeds minder op.
arbeidsproductiviteit
Productie per werkende. Stijgt niet als K en L evenveel groeien.
structuurbeleid
Beleid dat Y* zelf verhoogt, via K, L of A. Werkt traag maar blijvend.
menselijk kapitaal
Kennis en vaardigheden van de beroepsbevolking; onderdeel van A.

Week 37Conjunctuur en anticyclisch beleid

conjunctuur
De schommeling van Y rond de trend. Iets anders dan structurele groei, die over de trend zelf gaat.
hoogconjunctuur
Y ligt boven Y*: krappe arbeidsmarkt en oplopende inflatie.
laagconjunctuur
Y ligt onder Y*: oplopende werkloosheid en dalende inflatie.
anticyclisch beleid
Tegen de conjunctuur in sturen: stimuleren bij laagconjunctuur, afremmen bij hoogconjunctuur.
procyclisch beleid
Beleid dat de conjunctuur juist versterkt, zoals bezuinigen in een recessie.
effectieve vraag
C + I + O + E − M: de totale vraag die beslag legt op de binnenlandse productiefactoren.

Week 38Begrotingsbeleid

inverdieneffect
De overheid geeft meer uit → productie en inkomen stijgen → de belastingopbrengst stijgt mee. Een deel van de uitgave komt terug.
uitverdieneffect
De overheid verhoogt een belasting → bestedingen en inkomen dalen → een deel van de beoogde opbrengst verdampt.
multipliereffect
Een impuls werkt door in meerdere rondes, waardoor het uiteindelijke effect groter is dan de impuls zelf.
automatische stabilisatoren
Het progressieve belastingstelsel en de sociale uitkeringen. Die dempen de conjunctuur zonder dat er een besluit voor nodig is.
stabiliteitspact
Europese begrotingsnormen: het tekort maximaal 3% van het bbp en de staatsschuld maximaal 60%.
crowding out
De overheid leent zoveel dat de rente stijgt en particuliere investeringen verdrongen worden.

Week 39De arbeidsmarkt

beroepsbevolking
Het aanbod van arbeid: werkenden plus werklozen. Scholieren en gepensioneerden tellen niet mee.
werkgelegenheid
Het aantal mensen dat werkt.
vraag naar arbeid
De opgevulde vraag plus de openstaande vacatures.
conjuncturele werkloosheid
Ontstaat door vraaguitval; verdwijnt als de economie aantrekt. Bestrijd je met bestedingsbeleid.
frictiewerkloosheid
Kortdurend, tussen twee banen of na een opleiding. Altijd aanwezig en niet erg.
kwalitatieve structurele werkloosheid
Mismatch: opleiding of ervaring sluit niet aan op de vacatures. Vraagt om scholing.
kwantitatieve structurele werkloosheid
Arbeidsplaatsen verdwijnen, door robotisering of verplaatsing naar het buitenland.

Week 40Flexwerk en zzp

flexibele schil
Het deel van het personeel met een tijdelijk contract, een oproepcontract of als zzp'er. Vangt de conjunctuurschommelingen op.
zzp'er
Zelfstandige zonder personeel. Draagt geen sociale premies af, maar bouwt ook geen pensioen op en is niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid.
berovingsprobleem
Een werkgever investeert niet in scholing van iemand met een tijdelijk contract, omdat die met die kennis naar de concurrent kan vertrekken.
deregulering
Het versoepelen van regels op de arbeidsmarkt, waardoor de flexibele schil kan groeien.

ExtraAlleen als er tijd voor is

categoriale inkomensverdeling
Hoe het nationaal inkomen verdeeld wordt over de productiefactoren: loon, huur, rente, pacht en winst.
arbeidsinkomensquote (Aiq)
Het loon als percentage van het nationaal inkomen.
overige inkomensquote (Oiq)
De rest. Aiq en Oiq zijn samen altijd 100%.

Deze lijst groeit mee met het blok. Mis je een begrip? Zeg het in de les.