Niets gevonden. Probeer een ander woord.
Week 35Herhaling uit klas 4
- collectief goed
- Een goed dat niet-rivaliserend en niet-uitsluitbaar is, zoals een dijk of straatverlichting. De markt levert het niet.
- quasi-collectief goed
- Technisch wél uitsluitbaar, maar de overheid vindt het te belangrijk om aan de markt over te laten — zoals onderwijs of de brandweer.
- freeriden
- Meeliften: profiteren zonder mee te betalen. Als iedereen dat doet, komt het goed niet tot stand. Daarom heft de overheid belasting.
- btw
- Belasting over de toegevoegde waarde, een kostprijsverhogende belasting. Twee tarieven: 21% algemeen en 9% voor onder meer eerste levensbehoeften.
- schijvenstelsel
- Het inkomen wordt in delen geknipt en elk deel wordt tegen een eigen tarief belast.
- progressief belastingstelsel
- Een stelsel waarin de gemiddelde druk stijgt naarmate het inkomen stijgt.
Week 35Heffingskortingen
- heffingskorting
- Een vast bedrag dat van de berekende belasting wordt afgetrokken.
- algemene heffingskorting
- Krijgt in principe iedere belastingplichtige; in de reader € 2.000.
- arbeidskorting
- Krijg je alleen over inkomen uit werk; in de reader € 1.500. Bedoeld om werken lonend te maken.
- bruto loonheffing
- De belasting die uit het schijvenstelsel rolt, vóór aftrek van de kortingen.
- marginaal tarief
- Het tarief over je láátste verdiende euro — het tarief van de schijf waarin je inkomen eindigt.
- gemiddeld tarief
- De totale belasting gedeeld door het hele inkomen. Ligt altijd onder het marginale tarief.
Week 36Nivelleren en denivelleren
- nivellering
- De relatieve inkomensverschillen worden kleiner. Toon je aan met procentpunten, nooit met bedragen alleen.
- denivellering
- De relatieve inkomensverschillen worden juist groter.
- procentpunt
- Het verschil tussen twee percentages. Van 35% naar 40% is een stijging van 5 procentpunt, niet van 5 procent.
- vlaktaks
- Eén tarief over het hele inkomen, zonder schijven. Werkt denivellerend, tenzij er forse heffingskortingen bij komen.
Week 37Aftrekposten en bijtellingen
- aftrekpost
- Een bedrag dat van je inkomen áf gaat vóórdat de schijven eraan te pas komen. Hoe hoger je marginale tarief, hoe meer hij waard is.
- hypotheekrente
- De rente over je hypotheek; een aftrekpost.
- pensioenpremie
- Wat je opzij zet voor later; een aftrekpost. Let op: vaak gegeven per maand.
- bijtelling
- Een bedrag dat juist bij je inkomen wordt opgeteld, omdat je een voordeel geniet.
- eigenwoningforfait
- Een bijtelling voor het woongenot van je eigen huis: 0,5% van de WOZ-waarde.
- cataloguswaarde
- De nieuwprijs van de auto van de zaak; daarover wordt de bijtelling berekend.
- belastbaar inkomen
- Brutoloon min aftrekposten plus bijtellingen. Dít bedrag gaat door de schijven.
Week 38Van bruto naar netto
- de zes stappen
- Brutoloon → min aftrekposten → plus bijtellingen → belastbaar inkomen → door de schijven → min heffingskortingen → nettoloon.
- welke stap doet wat
- Aftrekposten denivelleren, bijtellingen en heffingskortingen nivelleren. Of het stelsel per saldo nivelleert, blijkt pas uit de eindsom.
Deze lijst groeit mee met het blok. Mis je een begrip? Zeg het in de les.