Blok 14 VWO — Economie

Begrippen & formules

Reader: Collectieve goederen & belastingen

Niets gevonden. Probeer een ander woord.

🧮

Formules

belastbaar inkomen = brutoloon − aftrekposten + bijtellingen
De eerste stap. Pas hierna gaat het bedrag door de schijven.
bruto loonheffing = schijf 1 + schijf 2 + schijf 3
Per schijf alleen het deel van het inkomen dát in die schijf valt, maal het tarief.
te betalen belasting = bruto loonheffing − heffingskortingen
De korting gaat van de belasting af, niet van het inkomen. Eerst de schijven, dan de korting.
nettoloon = brutoloon − te betalen belasting
Wat er onder de streep overblijft.
gemiddelde heffingsdruk = belasting ÷ inkomen × 100%
Let goed op waar de vraag om vraagt: het belastbaar inkomen of het brutoloon.
eigenwoningforfait = 0,5% × WOZ-waarde
Een bijtelling: het telt op bij je inkomen.
bijtelling auto = percentage × cataloguswaarde
22% bij benzine, 12% bij elektrisch — maar boven € 40.000 cataloguswaarde geldt ook voor elektrisch 22%.
prijs exclusief btw = prijs inclusief ÷ 1,21
Bij het lage tarief deel je door 1,09. Nooit een percentage van de inclusiefprijs aftrekken.
Gini = A ÷ (A + B)
A + B = 5.000. Reken B uit met driehoeken en rechthoeken onder de Lorenzcurve.
box 3: belasting = 36% × rendement × aandeel
Aandeel = (grondslag − heffingsvrij vermogen) ÷ grondslag.
Schijf Belastbaar inkomen Tarief
1 € 0 – € 25.000 35%
2 € 25.000 – € 70.000 45%
3 boven € 70.000 55%

Algemene heffingskorting € 2.000 · arbeidskorting € 1.500

Week 35Herhaling uit klas 4

collectief goed
Een goed dat niet-rivaliserend en niet-uitsluitbaar is, zoals een dijk of straatverlichting. De markt levert het niet.
quasi-collectief goed
Technisch wél uitsluitbaar, maar de overheid vindt het te belangrijk om aan de markt over te laten — zoals onderwijs of de brandweer.
freeriden
Meeliften: profiteren zonder mee te betalen. Als iedereen dat doet, komt het goed niet tot stand. Daarom heft de overheid belasting.
btw
Belasting over de toegevoegde waarde, een kostprijsverhogende belasting. Twee tarieven: 21% algemeen en 9% voor onder meer eerste levensbehoeften.
schijvenstelsel
Het inkomen wordt in delen geknipt en elk deel wordt tegen een eigen tarief belast.
progressief belastingstelsel
Een stelsel waarin de gemiddelde druk stijgt naarmate het inkomen stijgt.

Week 35Heffingskortingen

heffingskorting
Een vast bedrag dat van de berekende belasting wordt afgetrokken.
algemene heffingskorting
Krijgt in principe iedere belastingplichtige; in de reader € 2.000.
arbeidskorting
Krijg je alleen over inkomen uit werk; in de reader € 1.500. Bedoeld om werken lonend te maken.
bruto loonheffing
De belasting die uit het schijvenstelsel rolt, vóór aftrek van de kortingen.
marginaal tarief
Het tarief over je láátste verdiende euro — het tarief van de schijf waarin je inkomen eindigt.
gemiddeld tarief
De totale belasting gedeeld door het hele inkomen. Ligt altijd onder het marginale tarief.

Week 36Nivelleren en denivelleren

nivellering
De relatieve inkomensverschillen worden kleiner. Toon je aan met procentpunten, nooit met bedragen alleen.
denivellering
De relatieve inkomensverschillen worden juist groter.
procentpunt
Het verschil tussen twee percentages. Van 35% naar 40% is een stijging van 5 procentpunt, niet van 5 procent.
vlaktaks
Eén tarief over het hele inkomen, zonder schijven. Werkt denivellerend, tenzij er forse heffingskortingen bij komen.

Week 37Aftrekposten en bijtellingen

aftrekpost
Een bedrag dat van je inkomen áf gaat vóórdat de schijven eraan te pas komen. Hoe hoger je marginale tarief, hoe meer hij waard is.
hypotheekrente
De rente over je hypotheek; een aftrekpost.
pensioenpremie
Wat je opzij zet voor later; een aftrekpost. Let op: vaak gegeven per maand.
bijtelling
Een bedrag dat juist bij je inkomen wordt opgeteld, omdat je een voordeel geniet.
eigenwoningforfait
Een bijtelling voor het woongenot van je eigen huis: 0,5% van de WOZ-waarde.
cataloguswaarde
De nieuwprijs van de auto van de zaak; daarover wordt de bijtelling berekend.
belastbaar inkomen
Brutoloon min aftrekposten plus bijtellingen. Dít bedrag gaat door de schijven.

Week 38Van bruto naar netto

de zes stappen
Brutoloon → min aftrekposten → plus bijtellingen → belastbaar inkomen → door de schijven → min heffingskortingen → nettoloon.
welke stap doet wat
Aftrekposten denivelleren, bijtellingen en heffingskortingen nivelleren. Of het stelsel per saldo nivelleert, blijkt pas uit de eindsom.

Week 39Inkomensverdeling

primair inkomen
Het inkomen dat je verdient met productie: loon, rente, huur, pacht en winst.
secundair inkomen
Het primaire inkomen na belastingen en premies, plus uitkeringen en toeslagen.
Lorenzcurve
Grafiek van de inkomensverdeling: cumulatief % van de bevolking (van arm naar rijk) tegen cumulatief % van het inkomen. Hoe verder van de diagonaal, hoe ongelijker.
diagonaal
De lijn van volkomen gelijke verdeling: elk procent van de bevolking verdient precies één procent van het inkomen.

Week 40Gini-coëfficiënt

Gini-coëfficiënt
Ongelijkheid in één getal: A / (A + B). 0 is volkomen gelijk, 1 is volkomen ongelijk.
A en B
A is de buik tussen diagonaal en Lorenzcurve, B het oppervlak onder de Lorenzcurve. Samen 5.000 (½ × 100 × 100).

Week 43Belasting over vermogen

box 1, 2 en 3
Box 1: inkomen uit werk en woning. Box 2: aanmerkelijk belang (meer dan 5% van een bedrijf). Box 3: sparen en beleggen.
fictief rendement
Een schatting van de overheid van wat je met je vermogen verdient. Je betaalt belasting over die schatting, niet over je echte rendement.
heffingsvrij vermogen
Het deel van je vermogen waarover je geen belasting betaalt: in 2025 € 57.684 per persoon.
rendementsgrondslag
Bezittingen min aftrekbare schulden.
grondslag sparen en beleggen
Rendementsgrondslag min heffingsvrij vermogen.
box 3 in zes stappen
Belastbaar rendement → rendementsgrondslag → grondslag sparen en beleggen → aandeel → voordeel → belasting (36%).

Deze lijst groeit mee met het blok. Mis je een begrip? Zeg het in de les.